Toen Van Riebeeck voet aan wal zette, werd hij vrij vlug geconfronteerd met de plaatselijke bevolking. Op het bekende schilderij dat de aankomst van Van Riebeeck aan de Kaap voorstelt zijn trouwens zo'n autochtone bewoners afgebeeld. Van Riebeeck zelf maakte gebruik van Khoikhoi als tolken en woordvoerders. Drie van zijn belangrijkste tolken zijn zelfs bij naam bekend: Autshumato (of "Harry"), Doman en Krotoa (of "Eva"). Op het Kaapse schiereiland alleen al woonden destijds drie verschillende bevolkingsgroepen die men tot de Khoikhoi rekent; twee van hen waren veetelers, één behoorde tot de groep van de zognaamde "Strandloopers", die leefden van wat de zee hen bood. Hun aantal wordt geschat op 45 à 200.000.
De volkeren die op het Zuid-Afrikaanse grondgebied woonden werden door de eerste kolonisten aangeduid met "Bosjesmannen" en "Hottentotten". "Bossiesman" was de naam die Nederlandse kolonisten gaven aan de plaatselijke bevolking die geen vee bezat. Voor de term "Hottentot", gebruikt voor de plaatselijke veetelersgroepen, bestaan verschillende verklaringen. Het verhaal gaat o.a. dat een Franse kapitein in 1620 een verslag zou gemaakt hebben van de manier waarop de plaatselijke bevolking hen begroette met zang en dans en, schrijft hij, het begin, het midden en het slot van het lied klonken als "hautitou"; die uitdrukking zou later door een Deen vervormd zijn tot Hottentot. De namen die thans gebruikt worden voor beide volkeren gaan terug op de eigen talen. "San" (of "Sonqua") was de naam die de Kaapse Khoi gaven aan de jagersgroepen en het betekent zoiets als: "mensen die anders zijn dan wij". "Khoikhoi" (of "Khoekhoen") daarentegen is afkomstig uit de taal van de veetelers en betekent "de echte mensen". Wellicht was een dergelijke globale term vroeger niet gebruikelijk en benoemden de Khoi zich veeleer met de naam van hun clan - Cochoqua, Goringhaiqua of Gorachoqua bijvoorbeeld.
In de periode van het begin van de Nederlandse kolonisatie woonden overal op het grondgebied van het huidige Zuid-Afrika volkeren die kunnen gerekend worden tot de Khoisan-groep. Hun geschiedenis reconstrueren is een moeilijke opdracht. De Europeanen waren al zeer vroeg geïnteresseerd in de oorsprong van de plaatselijke volkeren en in 1700 werd daar al onderzoek naar gedaan. De bijbel werd de leidraad voor dat onderzoek. Steevast ging men er dus van uit dat de Khoisan-volkeren inwijkelingen waren. In 1731 stelde een zekere Kolb zelfs dat de Khoikhoi van Joodse oorsprong waren, een theorie die later door anderen werd overgenomen. Vanaf de 19e eeuw nam men weliswaar aan uit dat de Khoisan Afrikanen waren, maar ze zouden toch ergens vanuit het noorden afkomstig zijn - hun oorsprongsgebied werd gesitueerd in het Oost-Afrikaanse merengebied.
Voor het ogenblik wijzen de meeste archeologische vondsten er echter op dat Zuid-Afrika niet alleen van in de vroegste prehistorie permanent bewoond geweest is, maar ze bewijzen ook de zeer grote ouderdom van de Khoisan-bewoning in het gebied.
De oudste bewoners waren jagers-verzamelaars, maar toen de eerste Europeanen de kusten van Zuid-Afrika aandeden, vonden ze er naast verzamelaarsgroepen ook veetelers. Dus kan de vraag gesteld worden: waar kwam dit vee vandaan ? Werd het ooit ter plaatse gedomesticeerd of werd de veeteelt van elders geïntroduceerd ? Ging de introductie van veeteelt vooraf aan de migraties van de Bantuvolkeren die later Zuid-Afrika binnentrokken of kwam ze gelijktijdig ? Zekerheid bestaat daarover nog niet, maar uit linguïstische studies zou blijken dat in de Zuid-Afrikaanse Bantutalen veel termen die met veeteelt te maken hebben, van Khoi-oorsprong zijn, en dat zou erop wijzen dat de Khoi-volkeren inderdaad al veetelers waren vóór de Bantu immigreerden. Eén restrictie weliswaar: de oudste gedomesticeerde dieren die men in archeologische vondsten vindt zijn allemaal schapen, geen grootvee. Sporen van veeteelt gaan wel terug tot 2.000 jaar geleden, zoals gebleken is uit de vindplaats Kasteelberg, ten noorden van Saldanha Baai (Westkaap). Grootvee wordt pas gevonden vanaf 1.000 jaar geleden - en dat zou dan inderdaad kunnen overgenomen zijn van de Bantuvolkeren.
De jagers-verzamelaarsvolkeren van Zuid-Afrika worden met de naam "San" aangeduid. Meestal worden zij geassocieerd met de rotstekeningen of -gravures die op zoveel plaatsen in Zuidelijk Afrika te vinden zijn en die zoveel gelijkenissen vertonen met onze Europese prehistorische rotskunst. Heel wat onderzoek werd al besteed aan deze rotskunst, en er werden vooral veel pogingen ondernomen om ze te dateren en om zo ook een beeld te krijgen van de ouderdom van de San-bewoning. Het blijkt dat deze kunst werd aangemaakt over een bijzonder lange perioden. De oudste gedateerde vindplaats - de Apollo 11 grot in Zuid-Namibië - gaat terug tot 25 à 27.000 jaar geleden. Veel recentere rotsschilderingen, zoals in de Westkaap, stellen ossewagens voor, wat betekent dat ze waarschijnlijk niet vóór de achttiende eeuw gemaakt zijn. In Kwazulu-Natal zijn zelfs afbeeldingen gevonden van paardrijdende San die wellicht pas in de 19e eeuw gemaakt zijn.
Wat de levenswijze van San en Khoikhoi betreft in vroeger tijden zijn wij aangewezen op de commentaren van westerlingen, en die waren bijna uitsluitend negatief.
"Bosjesmannen" werden overanderlijk omschreven als arm, barbaars, niet veel verschillend van de dieren en op de laagste trap van de beschaving. Zeer dikwijls werden zij ook beschreven als dieven of veerovers. Het is duidelijk dat de ooggetuigen op dat ogenblik nog maar weinig inzicht hadden in het leven van een jagers-verzamelaarsgemeenschap die geen bezit kende, geen geformaliseerd leiderschap, geen vaste verblijfplaats.
"Hottentotten" werden in de regel op een iets hogere trap gezet, al kregen zij even goed de predicaten van wild en barbaars mee als de San. Het grote verschil met de San was dat de meesten onder hen veetelers waren: zij hadden bezit en een meer gehiërarchiseerde maatschappij met rijken en armen - wie het meeste vee bezat was rijk - en met "chefs". Zij hadden een nomadische levenswijze, maar ook meer permanente nederzettingen. Op veel oude prenten en gravures worden Khoi-nederzettingen afgebeeld waarbij vooral de "matjieshuise" opvallen, de lage, koepelvormige woningen gemaakt van stromatten. Bepaalde groepen Khoikhoi bezaten echter geen vee. De meest bekende onder hen zijn degenen die aan de zuidkust leefden van vis schelpdieren en robben. Het waren vertegenwoordigers van deze "Strandloopers" die Van Riebeeck het eerst ontmoette, en zijn eerste tolk, Autshumato, was een leider van deze groep.
|
|
Laatst Aangepast ( vrijdag, 25 november 2005 )
|