|
De 15e en 16 e eeuw waren voor Europa de tijd waarin de wereld verkend werd, en de grote drijfveer daartoe was de specerijenhandel met het verre Oosten. Met het oog daarop trokken Portugese zeevaarders langs de kust van Afrika zuidwaarts in de hoop om ooit het continent te kunnen omzeilen. Dat gebeurde in 1487-88 toen Bartolomeu Diaz Kaap de Goede Hoop ontdekte. In 1497 was het de beurt aan Vasco da Gama om, op zijn weg naar Indië, de Kaap te omzeilen. In het begin van de volgende eeuw was het Francesco de Almeida die via de Kaap naar India trok. Op zijn terugkeer, in 1510, legde hij aan in de Saldanha-baai waar hij met ruim 50 van zijn manschappen probeerde om een Khoikhoi-nederzetting te plunderen. Het bekwam hem slecht: de hele groep werd door de Khoikhoi uitgemoord. Dit verhaal lijkt wel de voorbode van wat nog komen zou !
In die beginperiode hadden de Portugezen het quasi-monopolie van de specerijenhandel, maar algauw bleek dat zij de Europese markt niet voldoende konden voorzien. Dat werkte de opkomst van de Nederlanders in de hand.
Aan het einde van de 16e eeuw waren er in Nederland - vooral in Zeeland en Amsterdam - al verschillende compagnieën die er zich op toelegden om schepen uit te rusten voor de vaart naar Azië. Op een bepaald ogenblik zag het ernaar uit dat de onderlinge concurrentie tussen deze maatschappijen hun succes zou bedreigen, en daarom werden zij van overheidswege gedwongen tot samenwerking. Dat leidde tot de oprichting, op 20 maart 1602, nu precies 400 jaar geleden, van de "Vereenigde Oost-Indische Compagnie", die zou uitgroeien tot één van de meest succesvolle handelsmaatschappijen ooit.
Het was precies die Verenigde Oost-Indische Compagnie die, op de lange zeeweg naar Indië, voortdurend op zoek was naar verversingsposten. In het begin van 1648 werd het VOC-schip de "Haarlem" door een storm op het Bloubergstrand gedreven. De bemanning kon lading en goederen redden. In de Tafelvallei, in wat nu ongeveer het centrum van Kaapstad is, vonden zij een goede bron. Zij vestigden er zich in hutten, begonnen meegebracht zaaigoed te zaaien en konden via ruilhandel vee krijgen van de plaatselijke bevolking. Zes maanden later konden ze met een terugkerend schip terug naar Nederland waar ze het gebied aanraadden als verversingpost.
De VOC rustte dus een kleine vloot uit, onder leiding van scheepsarts Jan van Riebeeck, die eind 1651 uitvaarde en op 6 april 1652, nu dus 350 jaar geleden, aankwam in de Tafelbaai. Meteen begon men met de bouw van een fort.
De orders die Van Riebeeck van de VOC gekregen had, waren zeer strict: er moest een tuin aangelegd worden om groenten en granen te kweken, er moest vee gekocht worden via ruilhandel van de plaatselijke bevolking, er moest een hospitaal gebouwd worden waar zieke zeelui konden verzorgd worden en iedereen die aan de Kaap verbleef werd beschouwd als in dienst van de VOC. Het eerste jaar was niet zo voorspoedig: men geraakte niet zo vlot aan vee als gedacht, en heel wat van die eerste kolonisten stierven. Men was inderdaad niet zo goed op de hoogte van de levenswijze van de plaatselijke bevolking die immers bestond uit nomadische veetelers. Pas in oktober van het jaar 1652 verschenen aan de Kaap de eerste groepen Khoikhoi met grote kudden vee. Toen pas konden de Nederlanders zich echt beginnen bevoorraden. |