|
De Nederlanders waren niet de enige Europeanen aan de Kaap. Al zeer vroeg zijn ook andere nationaliteiten geïmmigreerd. Om te beginnen waren er heel wat Duitsers.
Gedurende de 17e en de 18e eeuw heerste er in Duitsland zeer veel armoede. Velen probeerden dan ook elders hun geluk te beproeven, bijvoorbeeld door in dienst te gaan bij de VOC. Zeker in de beginperiode ging het niet om echte groepen, wel om individuen. Zo waren er heel wat Duitse militairen in dienst bij de VOC, maar degenen die naar Zuid-Afrika trokken waren vooral landbouwers, ambachtslui, handelaars, artsen, onderwijzers, brouwers. Veel problemen hadden ze niet aan de Kaap, want zij waren maar al te zeer bereid om zich te laten vernederlandsen - kennis van het Nederlands was een voorwaarde om bij de VOC in dienst te treden. Als er al problemen waren, dan waren die vooral van religieuze aard: de Duitser waren Lutheranen, de Nederlanders behoorden tot de Nederduits Gereformeerde Kerk.
Een heel andere geschiedenis is die van de Franse hugenoten. In de 16e eeuw waren er in Frankrijk - bv. in de streek van Nîmes - bloeiende protestantse gemeenschappen, die echter geregeld in botsing kwamen met de katholieke meerderheid. Het hoogtepunt van onverdraagzaamheid kwam er toen Karel IX besloot om de hugenoten, zoals de Franse protestanten genoemd werden, uit te roeien. Het sein werd gegeven op 24 augustus 1572, toen in de beruchte Sint-Bartholomeusnacht in Parijs zo'n 2000 hugenoten vermoord werden. Na Parijs volgden andere steden - Lyon, Orléans, Rouen, Toulouse, Bordeaux ... In het totaal werden zo'n 20.000 hugenoten vermoord.
In 1598 keerde het tij voor de protestanten toen Hendrik IV - oorspronkelijk zelf een protestant - het edict van Nantes afkondigde dat voorzag in een (relatieve) godsdienstvrijheid. Dat edict werd pas herroepen in 1685 door Lodewijk XIV. Die herroeping van het edict van Nantes luidde een nieuwe periode van onverdraagzaamheid in waarbij protestanten gedwongen werden om van hun geloof afstand te doen. Velen verkozen daarop te emigreren en kwamen in Nederland terecht - vooral in Middelburg. Meestal hadden ze hun bezittingen moeten achterlaten en kwamen ze dus berooid aan, precies op het ogenblik dat Van der Stel een oproep gedaan had om meer boerengezinnen naar de Kaap te sturen. Sommige hugenoten gingen als individuen in dienst bij de VOC, anderen vertrokken met hun gezinnen naar de Kaap. De eersten kwamen er al aan in 1687, en zij mochten zich vestigen in de vruchtbare vallei waar nu Stellenbosch, Paarl en Franschhoek liggen.
De hugenoten mochten in het gebied hun eigen kerken en predikanten hebben, maar de VOC oefende een zeer sterke druk uit op de vernederlandsing van de gemeenschap. In het begin was daar verzet tegen, maar uiteindelijk hebben de hugenoten hun taal prijsgegeven en zijn ze opgegaan in de Nederlands- en later Afrikaans- sprekende gemeenschap.
De invloed van de hugenoten is relatief groot geweest: wanneer Zuid-Afrika nu internationale faam geniet als wijnland, dan is dat te danken aan hen. Nog vóór de komst van de hugenoten waren Nederlandse boeren al begonnen met wijnbouw, maar de resultaten waren maar pover. Met de komst van de immigranten uit de wijngebieden van Zuid-Frankrijk veranderde de zaak: voor het eerst werd degelijke wijn geproduceerd. Nu nog dragen grote wijnboerderijen in het Drakestein-district namen als "La petite Provence" of "L'Ormarins" |