|
Na de tweede wereldoorlog begonnen veel gekoloniseerde volkeren geleidelijk aan te vechten voor hun zelfstandigheid, en in de Verenigde Staten begonnen de zwarten te ijveren voor burgerrechten. Zuid-Afrika evolueerde in tegengestelde richting. Twee commissies onderzochten de rassenverhoudingen en kwamen tot tegengestelde conclusies: de ene, onder de impuls van de oppositieleider D.F. Malan, kwam tot de conclusie dat gelijkstelling voor de blanken zelfmoord zou betekenen, de andere, onder de impuls van de premier van dat ogenblik, Smuts, was van oordeel dat segregatie een onmogelijke opdracht was, gezien de economische en territoriale vervlechting van alle bevolkingsgroepen. Smuts trok echter aan het kortste eind. In 1948 behaalde de Nasionale Party van Malan de overwinning met een heus programma van " Apartheid " . " Gescheiden ontwikkeling " was de slogan, wat erop neerkwam dat elke bevolkingsgroep binnen zijn eigen grenzen moest blijven.
Die politiek werd tot in zijn uiterste consequenties doorgevoerd en geformaliseerd in een reeks wetten, zoals:
- In 1949: de Wet op het Verbod van Gemengde Huwelijken; - Als aanvulling op de vorige wet: de Ontuchtwet die elke seksuele omgang tussen blanken en niet-blanken verbood; - In 1950: de Bevolkingsregistratiewet, waarbij iedere Zuid-Afrikaan officieel geregistreerd werd als behorende tot de groep van blanken, kleurlingen, Afrikanen of Indiërs; aangezien talloze Zuid-Afrikanen - ook nu nog - voorouders hebben van zeer uiteenlopende "ras" groepen, was het niet altijd gemakkelijk om iemand bij de ene of de andere groep in te delen; - Nog in 1950: de Groepsgebiedenwet, waarbij bepaalde gebieden voorbehouden werden aan bepaalde bevolkingsgroepen; dit had talloze massale en gedwongen verhuizingen tot gevolg, en bovendien bepaalde deze wet dat zwarten geen recht op bestendige aanwezigheid in blanke gebieden hadden; - In 1951 werd een Wet op de Afsonderlike Verteenwoordigers van Kiesers bekrachtigd die een speciale kiezerslijst voor kleurlingen voorzag die vier blanke parlementsleden mochten verkiezen om hùn belangen te verdedigen. Concreet kwam dit erop neer dat de kleurlingen het algemeen stemrecht verloren dat ze al zowat een eeuw hadden; - In 1953: de Wet op Aanwysing van Aparte Geriewe, die de absolute scheiding van de rassen vastlegde op treinen en bussen, in hotels, restaurants, café's, parken, stranden, postkantoren, banken, theaters, bioscopen, liften, taxi's, ziekenhuizen ... kortom, in het hele openbare leven. Dit is wat bekend werd onder de naam van de "kleine apartheid", en het was ook het begin van de beruchte bordjes met "Europeans only" of "net blankes"; - Nog in 1953: de Wet op het Bantoe-onderwijs, die het onderwijs voor zwarten onder het toezicht van de staat bracht; die staat zag er ook op toe dat dit onderwijs aangepast was aan de "behoeften en het ontwikkelingspeil" van de zwarte bevolking en het resulteerde in het isoleren en "tribaliseren" van de zwarte jongeren.
Tussendoor was in 1952 ook nog de verplichting ingevoerd voor alle zwarte mannen, ouder dan 16 jaar, om een boekje bij te hebben waarin, naast identiteitsgegevens, ook al hun vergunningen en machtigingen vermeld stonden. Dit was het begin van de zo gehate pasjeswetten. |