gebeuren; verder gaan / voortgaan; betreffen ("Wat
gaan hier aan?" = Wat is er hier aan de hand? / "Vir sover as dit my
aangaan..." = Wat mij betreft... / "Dit het so vir 'n halwe dag
aangegaan." = Het ging zo'n halve dag door.)
aanpiekel
(met moeite) dragen, vervoeren; gaan, lopen
aansoek
verzoek, sollicitatie
aansteeklik
besmettelijk (ziekte)
aar
(koren-)aar; ader
aardig
onaangenaam,
naar, misselijk, zich niet lekker voelend; ongemakkelijk, slecht,
gegêneerd, beschaamd; irritant, aanstotelijk; aanzienlijk, groot Zie verder bij arig, met verdere uitleg over deze voor het Nederlands ongebruikelijke betekenis
aartappel, ertappel
aardappel
aartappelskyfies
patates frites; chips (vgl. 'slaptjips')
abba
op de rug dragen
abuis
verkeerd, niet juist, 'er naast', abuis (Ek is ~ = Ik heb het mis, ik zit ernaast)
afhalen, afdoen, afzetten ("Hy
haal sy helm/hoed van sy seuntjie se kop af" = "Hij neemt zijn
helm/hoed van het hoofd van zijn zoontje af"; "Haal jou boeke af" =
"haal je boeken er vanaf"). Vlg. 'ophaal' en 'oplaai'
afklim
uitstappen (bus e.a.)
afneem
afnemen, fotograferen
afrigter
trainer
aftorring
aftornen
aftree
met pensioen gaan
aftree-oord
complex met bejaardenwoningen
aftrekorder
machtiging tot automatische afschrijving
afslag
korting
afsterwe
doodgaan, overlijden
agtermekaar
voor elkaar, in orde
agterste (plat)
achterwerk
aikona, aikôna, haikôna
nee!, helemaal niet!, over m'n lijk!
aitsa!
uitroep van verbazing
akkedis
hagedis
akkerboom
eikenboom
albaster, albastertjie
knikker
algemene handelaar
soort 'Winkel van Sinkel'
alikreukel / arikreukel / arikruik / alikruik
'alikruik'; grote zeeslak die zich op rotsen ophoudt (Turbo sarmaticus)
alleenloper
vrijgezel
almanak
kalender
amper
bijna Opm.: Het Nederlandse 'amper' kan het beste benaderd worden door 'nouliks' te gebruiken.
amperbroekie
tangaslipje (weinig gebruikelijk)
amptelik
officieel
anderkant
aan de andere kant / aan de overzijde ("anderkant die longdrop kry jy die bure se erf" = aan de andere kant van het buitentoilet vind je het terrein van de buren) (vgl. 'duskant' en 'oorkant')
anderland
het buitenland ("ek
wil nie in anderland bly nie; anderland se kos is so vreemd" = ik wil
niet in het buitenland wonen; het eten in het buitenland is zo raar)
angstig
angstig, verlangend
antrasietstoof
kolenkachel
appelkoos
abrikoos
appelliefie
struik met grote, eetbare, appelachtige bessen (Physalis viscosa en P. angulata)
apteek
drogist, apotheek
aptytwekker
aperitief
arig
naar, ongesteld; beschaamd, niet op z'n gemak; onvriendelijk, irritant, onaardig Opm.: In het Nederlands betekent aardig 'vriendelijk'. De voor het Nederlands tegenstrijdige betekenis van het Afrikaanse aardig en arig is eenvoudig te verklaren door te kijken naar het zeventiende-eeuwse Nederlands; algemeen betekende aerdich
'beleefd, vriendelijk' (Jan de Vries: 1971), zoals nu in het Algemeen
Beschaafd Nederlands, maar in dialecten betekende het 'vreemd,
eigenaardig'. Er zijn Zeeuwse dialecten waar die negatieve
betekenis behouden is. Daar zegt men 'aorig' om een ongemakkelijke situatie aan te duiden (G.J. van Wyk (red.), Etimologiewoordeboek van Afrikaans: 2003).
arm (mv. arms)
arm, armen (ledematen)
arme, armes
arme, armen
arties
kunstenmaker, circusartiest, 'artist' Opm.: betekent niet NL. 'artiest' in de zin van musicus). ("Dit is lewensgevaarlik om 'n sweefstok-arties se kunsies te probeer nadoen"). Zie verder bij 'kunstenaar'
asseblief
alstublieft Bij
verzoek: "Vir meer inligting moet jy asseblief net die bostaande vorm
invul" = Voor meer informatie verzoeken wij je het bovenstaande
formulier in te vullen.