Afrikaans | Nederlands |
haakdoring | mimosasoort met haakvormige doornen (Acacia litakunensis) |
haakplek | moeilijkheid, probleem |
haakspeld | veiligheidsspeld |
haarloos | kaal (vgl. 'bles' en 'kaal') |
haarsny | (ww.) knippen, kappen; (zn.) haarsnit; knipbeurt ("Een haarsny kos sewentig Rand" = Een keertje knippen kost zeventig Rand) |
hakiesdraad | prikkeldraad |
halfmens | grote, dikstammige, cactusvormige doornenboom met krans van kronkelige blaren bovenaan de stammen. Deze boom groeit in het Namakwaland / Boesmanland: Pachypodium namaquanum (familie Apocynaceae) |
halfpad | halverwege |
handsak | handtas |
handuit: ~ ruk | uit de hand lopen ("Die situasie het heeltemal handuit geruk.") |
hanetree(tjie) | kleine afstand; 'kippenendje' |
hang | helling (v. berg) |
hardewarewinkel | ijzerhandel |
hare sny | haar knippen |
harsings | hersens (meestal dierenhersenen - al of niet als consumptie) |
hartebees | hartebeest (soort grote antilope, verwant aan gnoe) Opm.: hart- is een Nederlandse gewestelijke vorm van hert. De Boeren vergeleken het dier dus met een hert. Naast dit woord heeft in Afrika het woord hert alleen als geleerd woord bestaan, en is het vervangen door het woord takbok (zie aldaar), wat zich laat verklaren door het feit dat herten oorspronkelijk niet in Zuid-Afrika voorkomen. |
hartbeeshuisie | eenvoudig pioniershuisje Opm.: Let op het ontbreken van de koppel-e: hartebees vs. hartbees- |
hartlam | lieveling |
hartomleiding | bypass |
hartversaking | het ophouden van het functioneren van het hart |
hasielip | hazenlip |
heeltemal | helemaal |
hegsteke | hechtingen |
hekel (spreek uit als 'hiekel') | haken |
hekelpatroon | haakpatroon |
hekelpen | haaknaald |
hekkiesloop | hordenloop |
hemp | shirt, hemd, overhemd |
herd | open haard, open vuur (vgl. 'kaggel') |
heuning | honing |
heuwel | heuvel Vgl. 'koppie' |
hiëna | hyena |
hierdie | deze, dit (vgl. verder 'daardie') |
hierlangs | in de omgeving |
hings | hengst |
hingsel | hengsel |
hittetè | bijna, op een haar na |
hoed | hoed, pet |
hoefyster | hoefijzer |
hoek | plek waar twee bergen samenkomen en een hoekvormige overgang vormen |
hoekom | waarom |
hoender | kip Opm.: Het woord 'kip' is in het Afrikaans onbekend. Wel zegt men 'kiep-kiep' als men kippen roept. Dit doet men ook in Nederland, maar daar heeft de roepnaam tevens het oorspronkelijke zelfstandige naamwoord 'hoen' verdrongen. Denk aan de Nl. uitdrukking 'Een knuppel in het hoenderhok gooien' (waarmee een kippenhok bedoeld wordt), om herinnerd te worden aan het oorspronkelijke Nederlandse woord voor 'kip'. |
hoendervleis | kippenvlees/-vel "Ek het hoendervleis gekry toe ek ons pragtige volkslied in Nederland hoor sing het" = Ik kreeg kippenvel toen ik ons prachtige volkslied in Nederland hoorde zingen) |
hoërskool | middelbare school |
hoëtroustel | hifi-installatie |
hof | rechtbank |
hofsaak | rechtzaak |
hokaai! (plat; tegen dieren) | ho maar! stop! hu! Vgl. 'troei', 'tru' |
hokslaan | geweld beteugelen, onderdrukken |
hoof | (zelfst. nw.) chef, hoofd; (bijv. gebruikt, zoals in 'die hoofgebou' of 'hoof-bladsy') voornaamste, hoofd-
Opm.: Net als bij het woord 'gunsteling' en 'gunsteling-' is het soms onduidelijk of 'hoof' als bijv. nw. of als zelfst. nw. gebruikt wordt omdat men het vaak niet aaneenschrijft met het zelfstandige naamwoord dat erop volgt. Ook deze verwarring heeft een anglicistische oorsprong (denk maar aan 'hoofbladsy' en 'hoof-bladsy' of 'hoof bladsy' waarbij de laatste versie een geleende morfologie uit het Engels is: 'main page' is een bijv. nw. + zelfst. nw.). |
hoofbrekings | hoofdbrekens |
horing | hoorn, gewei; mann. lid in erectie (plat) Vgl. 'doring' |
hotnot (racistisch) | kleurling Opm.: Dit woord werd oorspronkelijk gebruikt om er de inheemse Hottentotten mee aan te duiden, maar wordt nu gebruikt als schertsende term voor de Kleurlingennatie, die voortgekomen is uit vroege blanke en inheemse huwelijken en relaties ("Met sy kroeshare lyk jou man darem soos 'n hotnotjie" = Met zijn kroeshaar lijkt jouw man wel een kleurling) |
hotnotsgot | bidsprinkhaan Opm.: Dit opmerkelijke insect werd zo genoemd omdat in de vroege dagen van de Kaapse kolonisatie de inheemse Hottentotten dit dier als godheid vereerden (vervorming van hottentot + god) |
hou van | mooi vinden; leuk vinden, houden van Opm.: Het werkwoord 'houden van' om iemand de liefde te verklaren kan in het Afrikaans niet met 'Ek hou van jou' uitgedrukt worden. Daar zegt men 'Ek is lief vir jou'. Zie verder bij lief wees vir. |
huid | gevilde dierenhuid Opm.: Het Nederlandse woord huid wordt in het Afrikaans doorgaans vertaald met 'vel'. Dit verschil met Nederlands komt overeen met de betekenis van de Engelse woorden hide (= Afr. 'huid') en skin (= Afr. 'vel'). Vgl. 'vel' en 'kopvel' |
huisie (knoffelhuisie) | teentje knoflook |
hulle, hul | zij, hun, hen (pers.vnw, 3e pers. mv.); hun (bez.vnw.) |
hupstootjie | een duwtje in de goede richting (ook fig.) |
huurmotor | taxi Opm.: soms zegt men in het Afrikaans ook 'taxi' (spr. teksie), maar dit betekent vooral ook 'minibus waarin zwarte pendelaars vervoerd worden'. Deze teksies zijn berucht omdat ze vaak overvol zijn en als ongeleide projectielen de verkeersregels overtreden. |
huwelikslisentie | trouwboekje |
hysbak | lift |
hysbak ry | in de lift zitten |